Beschrijving
Glanshaverhooiland GBT-48
De inheemse bloemen en grassen in Glanshaverhooiland GBT-48 hebben samen een breed natuurlijk verspreidingsgebied dat loopt van de pleistocene zandgronden tot en met de zeekleigebieden. De soorten zijn geselecteerd op basis van de glanshaver-associatie, waardoor de uiteindelijke vegetatie een natuurlijke en herkenbare uitstraling krijgt. Bovendien zijn alle soorten in het mengsel inheems en is het merendeel overblijvend, zodat er op termijn een duurzame vegetatieopbouw ontstaat.
Glanshaverhooilanden komen van nature voor onder vochtige tot vrij droge, matig voedselrijke en vaak kalkhoudende omstandigheden. Daarbij wordt de precieze samenstelling van de vegetatie bepaald door meerdere factoren. Zo spelen het bodemtype, de vochtigheid (en een eventuele overstromingsduur) én de mate van kalkrijkdom allemaal een belangrijke rol.
Beheeradvies Glanshaverhooiland GBT-48
- Basismethode: voer jaarlijks hooilandbeheer uit: maaien en het maaisel altijd afvoeren. Op die manier wordt verruiging beperkt en blijft de vegetatie soortenrijk.
- Maaifrequentie afstemmen op productie:
- Bij hogere productie (richtwaarde ≥ ca. 4–5 ton droge stof/ha) is het doorgaans nodig om 2 keer per jaar te maaien.
- Bij lagere productie (< ca. 4–5 ton droge stof/ha) volstaat meestal 1 maaibeurt per jaar.
- Maaimomenten (globaal):
- Bij 2 maaibeurten: maai eerst rond maart/april óf juni/juli en vervolgens nogmaals in augustus–oktober, afhankelijk van groei en soortensamenstelling.
- Bij 1 maaibeurt: maai bij voorkeur in augustus–oktober, nadat er voldoende bloei en zaadzetting heeft plaatsgevonden.Beheeradvies Glanshaverhooiland GBT-48
Beheertips Glanshaverhooiland GBT-48
- Structuurvariatie aanbrengen:
- Maai bij voorkeur (deels) gefaseerd en laat elk jaar op enkele plekken delen staan, zodat er variatie in structuur ontstaat.
- Maai randen langs bos of struweel niet ieder jaar, waardoor geleidelijke overgangen kunnen ontwikkelen.
- Vermijd verstoring en schade:
- Maai niet in zeer natte perioden, omdat dit het risico op insporing vergroot.
- Gebruik op kleine of kwetsbare plekken bij voorkeur een messenbalk, zodat de bodem en vegetatie zo min mogelijk worden beschadigd.
- Bemesting en bekalking alleen bij uitzondering:
- Glanshaverhooilanden worden doorgaans niet bemest.
- Alleen wanneer de standplaats te voedselarm wordt, kan incidenteel ruige stalmest worden toegepast (max. 20 ton/ha, ongeveer eens per 3 jaar).
MILIEU: matig voedselrijke tot voedselrijke grondsoorten met een zwak-zure tot basische zuurgraad (bij voorkeur enigszins kalkhoudend).
TOEPASSING: wegbermen, dijken en taluds.
BLOEMEN
- Achillea millefolium – Duizendblad, wit
- Anthriscus sylvestris – Fluitenkruid, wit
- Campanula rapunculus – Rapunzelklokje, blauw
- Cardamine pratensis – Pinksterbloem, roze
- Carum carvi – Karwij, wit
- Centaurea jacea – Knoopkruid, paars
- Cerastium fontanum ssp. vulgare – Gewone hoornbloem, wit
- Cichorium intybus – Wilde cichorei, blauw
- Crepis biennis – Groot streepzaad, geel
- Daucus carota – Peen, wit
- Galium mollugo ssp. erectum – Glad walstro, wit
- Geranium pratense – Beemdooievaarsbek, lila
- Glechoma hederacea – Hondsdraf, paars
- Heracleum sphondylium ssp. sphondylium – Gewone berenklauw, wit
- Hypochaeris radicata – Gewoon biggenkruid, geel
- Knautia arvensis – Beemdkroon, lila
- Lathyrus pratensis – Veldlathyrus, geel
- Leucanthemum vulgare – Gewone margriet, wit
- Medicago falcata – Sikkelklaver, geel
- Medicago lupulina – Hopklaver, geel
- Origanum vulgare – Wilde marjolein, roze
- Pastinaca sativa ssp. sativa – Gewone pastinaak, geel
- Pilosella officinarum – Muizenoor, geel
- Pimpinella major – Grote bevernel, wit
- Plantago lanceolata – Smalle weegbree, wit
- Prunella vulgaris – Gewone brunel, paars
- Ranunculus acris – Scherpe boterbloem, geel
- Ranunculus repens – Kruipende boterbloem, geel
- Salvia pratensis – Veldsalie, paars
- Stellaria graminea – Grasmuur, wit
- Taraxacum officinale – Paardenbloem, geel
- Tragopogon pratensis ssp. pratensis- Gele morgenster, geel
- Trifolium dubium – Kleine klaver, geel
- Trifolium pratense – Rode klaver, rood
- Trifolium repens – Witte klaver, wit
- Viccia cracca – Vogelwikke, paars
GRASSEN
- Agrostis capillaris – Gewoon struisgras
- Alopecurus pratensis – Grote vossenstaart
- Anthoxanthum odoratum – Gewoon reukgras
- Arrhenatherum elatius – Glanshaver
- Festuca rubra – Rood zwenkgras
- Luzula campestris – Gewone veldbies
- Phleum pratense – Timoteegras
- Poa pratensis ssp. pratensis – Veldbeemdgras
- Poa trivialis – Ruw beemdgras
- Schedonorus pratensis – Beemdlangbloem
- Trisetum flavescens – Goudhaver
ZAADDOSERING: 1,5 per m²
GEMIDDELDE HOOGTE: 60 – 70 cm
De volgende vlinders komen kan men aantreffen in Glanshaverhooilanden: argusvlinder, bont dikkopje, hooibeestje, koevinkje, zwartsprietdikkopje









