Beschrijving
Bijenmengsel voor Wilde Bijen BA-10
Met de wilde bijen gaat het slecht in Nederland. Zo bleek uit een Duits onderzoek uit 2017 dat in beschermde gebieden de biomassa aan insecten in 27 jaar tijd met 75% is afgenomen. Daarom is het belangrijk om te zorgen voor voldoende wilde planten, zodat insecten gedurende het seizoen beschikken over nectar en stuifmeel.
Het Bijenmengsel voor Wilde Bijen BA-10 is speciaal samengesteld om bij te dragen aan de voedselvoorziening van solitaire bijen. Het mengsel bestaat uit inheemse soorten die door veel wilde bijen aantoonbaar intensief worden bezocht, zoals blijkt uit onderzoek van Wageningen University & Research.
Uit de grote lijst geschikte planten die uit dit onderzoek naar voren kwam, hebben wij een selectie gemaakt die breed toepasbaar is en langdurig bloeit. Hierdoor ontstaat een jarenlange, kleurrijke bijenstrook of bijenlint, passend in zowel het buitengebied als de openbare ruimte.
Belangrijke soorten in dit mengsel zijn onder andere zandblauwtje (Jasione montana), slangenkruid (Echium vulgare) en knoopkruid (Centaurea jacea).
Standplaats BA-10
- Geschikt voor zonnige plekken op droge tot matig vochtige bodems.
- Het mengsel doet het goed op veel gangbare grondsoorten, mits de bodem voldoende doorlatend is.
- Bij voorkeur geen sterk bemeste of zeer voedselrijke bodem; daardoor krijgen kruiden meer ruimte en blijft de strook bloemrijk.
Beheeradvies (bijenstrook/bijenlint)
- Maaifrequentie: maai 1–2 keer per jaar, afhankelijk van groeikracht en gewenste bloeiduur.
- Gefaseerd maaien: maai bij voorkeur in delen en laat per maaibeurt 25–50% staan, zodat er altijd bloei en schuilgelegenheid blijft voor bijen en andere insecten.
- Maaimoment (richtlijn)
- 1x per jaar: maaien in september/oktober (na bloei en zaadzetting).
- 2x per jaar: een eerste maaibeurt na de eerste bloeigolf (bijv. juni/juli) en een tweede maaibeurt in september/oktober.
- Maaisel afvoeren: voer het maaisel altijd af, zodat de bodem geleidelijk verschraalt en kruiden blijven domineren.
- Zaden laten uitvallen: maai je in of na september, laat het maaisel dan 2–4 dagen liggen, zodat zaden kunnen uitvallen en zich opnieuw kunnen verspreiden.
- Rust en overwintering: laat bij voorkeur jaarlijks een klein deel ongemaaid de winter in, zodat insecten kunnen schuilen en overwinteren.
MILIEU: bij voorkeur kalkrijke zand, zavel, löss en leemgronden. Zware kleigronden en natte gronden zijn voor dit mengsel niet geschikt.
TOEPASSING: landschappelijk, meerjarig, inheems
BLOEMEN
- Achillea millefolium – Duizendblad, wit
- Anthemis tinctoria – Gele kamille, geel
- Campanula rapunculoides – Akkerklokje, paars
- Campanula rotundifolia – Grasklokje, blauw
- Centaurea jacea – Knoopkruid, roze
- Crepis biennis – Groot streepzaad, geel
- Daucus carota – Peen, wit
- Echium vulgare – Slangenkruid, blauw
- Hieracium sect. Hieracioides – Schermhavikskruid, geel
- Hypochaeris radicata – Gewoon biggenkruid, geel
- Jasione montana – Zandblauwtje, blauw
- Knautia arvensis – Beemdkroon, lila
- Lamium album – Witte dovenetel, wit
- Lotus corniculatus var. corniculatus – Gewone rolklaver, geel
- Lythrum salicaria – Grote kattenstaart, roze
- Origanum vulgare – Wilde marjolein, roze
- Pilosella officiniarum – Muizenoor, geel
- Potentilla argentea – Viltganzerik, geel
- Potentilla erecta – Tormentil, geel
- Prunella vulgaris – Gewone brunel, paars
- Reseda lutea – Wilde reseda, geel
- Scorzoneroides autumnalis – Vertakte leeuwentand, geel
- Solidago virgaurea – Echte guldenroede, geel
- Tanacetum vulgare – Boerenwormkruid, geel
- Taraxacum officinalis – Paardenbloem, geel
- Trifolium pratense – Rode klaver, roze/rood
ZAADDOSERING: 1,5 – gram per m²
BEHEER: 1 x per jaar maaien en ruimen rond eind september (hooilandbeheer).
GEMIDDELDE HOOGTE: 60 – 80 cm



















