Beschrijving
Ruigteflora’s, zoals Ruigteflora RN-27, vormen hoge en dichte kruidachtige vegetaties die zich in de loop van de tijd sluiten. Na verloop van tijd kunnen soorten zoals koninginnenkruid en wilgenroosje steeds meer gaan domineren. Tegelijkertijd worden de lagere delen opgevuld met soorten zoals watermunt, dotterbloem en moerasrolklaver. Daarnaast wordt het vegetatiebeeld plaatselijk onderbroken door de paarse tinten van kattenstaarten, waardoor een gevarieerd en natuurlijk geheel ontstaat.
De inheemse plantensoorten vormen samen een waardevolle habitat, waarin veel dieren zich kunnen huisvesten, schuilen en foerageren. Om te voorkomen dat zaden wegspoelen, is het belangrijk dat de overgang van droog naar nat geleidelijk verloopt. Op die manier rollen zaden minder snel het water in en blijven ze beter op de plek waar ze kunnen kiemen.
Ruigteflora’s zijn vooral in het buitengebied een goede keuze om biodiversiteitsherstel te bevorderen, bijvoorbeeld na infrastructurele projecten. Daarnaast kan het mengsel ook binnen de bebouwde kom, bijvoorbeeld langs slootranden, worden toegepast.
Houd er tot slot rekening mee dat sommige soorten in kiemrust verkeren en pas kiemen na een koudeperiode. Hierdoor kan de vestiging van bepaalde soorten geleidelijk verlopen.
Beheeradvies (ruigtebeheer) – RN-27
- Maaifrequentie: maai bij voorkeur 1 keer per jaar.
- Maaimoment: maaien in najaar (september–november) of late winter (februari–maart).
- Bij voorkeur pas maaien ná de bloei en zaadzetting, zodat soorten zich kunnen uitzaaien.
- Maaisel afvoeren: voer het maaisel altijd af om de bodem niet verder te verrijken en om dominantie van ruigtekruiden te beperken.
- Gefaseerd maaien: maai in delen en laat per beurt idealiter 25–50% staan. Zo blijven er schuil- en overwinteringsplekken voor insecten, vogels en kleine zoogdieren.
- Dominante soorten sturen: bij sterke dominantie van soorten zoals koninginnenkruid of wilgenroosje kun je extra selectief maaien of plaatselijk uitschrapen om variatie te behouden.
- Bodem en oever beschermen: werk bij voorkeur met licht materieel en voorkom insporing, zeker op natte delen en langs slootranden.
- Vestiging vraagt tijd: houd rekening met kiemrust; sommige soorten komen pas op na een koudeperiode, waardoor het mengsel zich geleidelijk ontwikkelt.
MILIEU: natte, vochtige, matig voedselrijke grondsoorten.
TOEPASSING: ruigte, meerjarig, inheems
BLOEMEN
- Achillea ptarmica – Wilde bertram, wit
- Alisma plantago-aquatica – Grote waterweegbree, wit
- Angelica sylvestris – Gewone engelwortel, wit
- Barbarea vulgaris – Gewoon barbarakruid, geel
- Caltha palustris ssp. palustris – Gewone dotterbloem, geel
- Epilobium hirsutum – Harig wilgenroosje, roze
- Eupatorium cannabinum – Koninginnenkruid, roze
- Filipendula ulmaria – Moerasspirea, wit
- Galium palustre – Moeraswalstro, wit
- Hypericum tetrapterum – Gevleugeld hertshooi, geel
- Iris pseudacorus – Gele lis, geel
- Lotus pedunculatus – Moerasrolklaver, geel
- Lycopus europaeus – Wolfspoot, wit
- Lysimachia vulgaris – Grote wederik, geel
- Lythrum salicaria – Grote kattenstaart, roze
- Mentha pulegium – Polei, lila
- Myosotis scorpioides ssp. scorpioides – Moerasvergeet-mij-nietje, blauw
- Pulicaria dysenteria – Heelblaadjes, geel
- Rhinanthus angustifolius – Grote ratelaar, geel
- Rumex acetosa – Veldzuring, roodbruin
- Scrophularia umbrosa – Gevleugeld helmkruid, roodbruin
- Silene flos-cuculi – Echte koekoeksbloem, paars
- Stachys palustris – Moerasandoorn, roze
- Thalictrum flavum – Poelruit, geel
- Valeriana officinalis – Echte valeriaan, wit/roze
- Veronica longifolia – Lange ereprijs, blauw
ZAADDOSERING: 2 gram per m²
GEMIDDELDE HOOGTE: 70 – 140 cm
















