Beschrijving
Gele morgenster (Tragopogon pratensis)
De gele morgenster (Tragopogon pratensis) is een opvallende, inheemse plant met grote gele bloemhoofdjes die zich meestal alleen in de ochtend openen. Daardoor heeft de soort een herkenbaar dagritme en een bijzondere uitstraling in bloemrijke graslanden. Daarnaast zorgt de gele morgenster voor structuur en is hij aantrekkelijk voor verschillende insecten.
Standplaats en ecologie
Gele morgenster groeit bij voorkeur op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke bodems. Daarom komt de soort veel voor in bloemrijke graslanden, bermen, dijken en extensief beheerde hooilanden. De plant houdt van zon en een open vegetatiestructuur. Op zwaar bemeste of dichtbegroeide bodems verdwijnt de soort meestal snel. Juist door maaibeheer en afvoer van maaisel blijft de standplaats geschikt.
De bloemen leveren nectar en stuifmeel en worden bezocht door bijen, zweefvliegen en andere bloembezoekers. Hierdoor draagt de soort bij aan biodiversiteit in graslandvegetaties.
Uiterlijk en groeiwijze
Gele morgenster is meestal tweejarig (soms kortlevend meerjarig). In het eerste jaar vormt de plant een bladrozet; in het tweede jaar verschijnt een rechtopstaande bloemstengel. De soort wordt doorgaans 30–80 cm hoog. Na de bloei ontstaat een grote, bolvormige zaadpluis — vergelijkbaar met een paardenbloem, maar dan groter. Daardoor is de soort ook in de nazomer en herfst nog goed herkenbaar.
Kenmerken
- Wetenschappelijke naam: Tragopogon pratensis
- Nederlandse naam: gele morgenster
- Planttype: tweejarig (soms kortlevend meerjarig)
- Hoogte: ca. 30–80 cm
- Bloemen: geel, groot; openen vooral in de ochtend
- Bloeitijd: meestal mei–juli
- Standplaats: zonnig, open
- Bodem: droog tot matig vochtig; matig voedselrijk
- Biotoop: bloemrijke graslanden, bermen, dijken, hooilanden
- Ecologische waarde: nectar- en stuifmeelbron; structuur- en zaadplant









