Beschrijving
Gele lis (Iris pseudacorus)
De gele lis (Iris pseudacorus) is een opvallende, inheemse oever- en moerasplant met grote gele bloemen. De soort geeft waterkanten een herkenbaar en natuurlijk beeld en is bovendien zeer geschikt voor natuurvriendelijke oevers. Daarnaast vormt de gele lis een belangrijke structuurplant in natte vegetaties.
Standplaats en ecologie
Gele lis groeit bij voorkeur op vochtige tot natte, vaak voedselrijke bodems. Daarom vind je de plant vooral langs sloten, plassen, moerassen, rietlanden en in natte graslanden. Ze verdraagt ook perioden met ondiep water en kan zich goed handhaven op klei, zavel en veen, zolang de bodem maar vochtig blijft.
De bloemen worden bezocht door diverse insecten, waaronder bijen en zweefvliegen. Bovendien biedt de dichte bladgroei schuilmogelijkheden voor allerlei dieren langs de waterkant.
Relatie met de lissnuitkever
De gele lis is niet alleen belangrijk als oeverplant, maar vormt ook een waardplant voor gespecialiseerde insecten, waaronder de lissnuitkever (Mononychus punctumalbum). Deze snuitkever is sterk verbonden met lissoorten en wordt daarom vooral gevonden op plekken waar gele lis in grotere aantallen voorkomt.
In het voorjaar en de vroege zomer leggen de volwassen kevers hun eitjes in (of bij) de zich ontwikkelende zaaddozen van de lis. Vervolgens leven de larven van het plantmateriaal in de vrucht, waarbij ze zich voeden met het zaad en de inhoud van de zaaddoos. Hierdoor is de aanwezigheid van gele lis essentieel voor het voortbestaan van deze specialist.
Uiterlijk en groeiwijze
De gele lis is een meerjarige plant met stevige, zwaardvormige bladeren die in dichte pollen groeien. De plant wordt doorgaans 60–120 cm hoog. De bloei valt meestal in mei–juli. Na de bloei ontstaan zaaddozen die zaden kunnen verspreiden via water. Daarnaast kan de plant zich uitbreiden via stevige wortelstokken, waardoor op geschikte plekken grotere bestanden ontstaan.
Kenmerken in één oogopslag
- Wetenschappelijke naam: Iris pseudacorus
- Nederlandse naam: gele lis
- Planttype: meerjarig (inheems)
- Hoogte: ca. 60–120 cm
- Bloemen: geel, groot en opvallend
- Bloeitijd: meestal mei–juli
- Standplaats: vochtig tot nat; zonnig tot halfschaduw
- Bodem: voedselrijk; klei, zavel, veen (zolang vochtig)
- Biotoop: oevers, moerassen, rietlanden, natte graslanden
- Ecologische waarde: structuur- en schuilplant; nectar voor insecten









